
De verloren zoon dl. 2 16-03-2009
uit Max Lucado - Zes uren, één vrijdag
dl. 1
Zijn gezicht was nog steeds nat terwijl hij bij de vijver zat en opnieuw in het water keek. Voor het eerst in lange tijd dacht hij aan thuis. De herinneringen verwarmden zijn hart. Herinneringen aan het plezier aan tafel. Herinneringen aan een warm bed. Herinneringen van avonden op de veranda met zijn vader, alleen maar in beslag genomen door het geluid van de draaiende schommelstoelen.
'Vader.' Hij sprak het woord hardop uit terwijl hij naar zichzelf keek.
'De mensen zeiden altijd dat ik op u leek. Maar nu zou u me niet eens meer herkennen. Ik het heb wel helemaal verprutst, of niet?'
Hij stond op en begon te lopen.
De weg naar huis was langer dan hij zich kon herinneren. De laatste keer toen hij hem had afgelegd, deed hij de mensen aan de kant opkijken vanwege zijn waardige houding. Deze keer keken de mensen opnieuw op, maar nu vanwege zijn stank. Maar dat deerde hem niet, want voor het eerst sinds hij zich kon heugen, had hij een schoon geweten.
Hij ging naar huis. Hij ging naar huis als een ander mens. Niet om op te eisen wat hij dacht dat hij verdiende, maar bereid om alles aan te nemen wat hij kon krijgen. 'Geef me' had plaats gemaakt voor 'help me'. Zijn onverschrokkenheid was vervangen door berouw.
Hij kwam vragen om alles, terwijl hij er niets voor terug kon geven.
Hij had geen geld. Hij had geen excuus.
En hij had er geen idee van hoezeer zijn vader hem had gemist.
Hij had er geen idee van hoe vaak zijn vader zijn werkzaamheden had onderbroken om bij de poort uit te zien naar zijn zoon. De jongen had geen idee van het aantal keren dat zijn vader in een rusteloze slaap wakker was geworden, de kamer van zijn zoon was binnengegaan en op de rand van het bed van zijn zoon had gezeten. En de zoon zou het nooit hebben geloofd als hij gehoord had hoeveel tijd zijn vader had doorgebracht naast de lege schommelstoel op de veranda, kijkend, verlangend om die vertrouwde gestalte weer te zien, die tred, dat gezicht.
Toen de jongen de laatste bocht nam van de weg die naar zijn ouderlijk huis leidde, oefende hij nog één keer wat hij straks zou zeggen. 'Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u.'
Hij naderde de poort en legde zijn hand op de klink. Hij begon hem op te tillen maar hield halverwege halt. Zijn plan om naar huis te gaan, leek hem ineens zo dwaas. 'Wat heeft het voor zin?', hoorde hij zichzelf vragen. 'Wat voor kans maak ik nog?' Hij haalde zijn hand van de klink, draaide zich om en begon weg te lopen.
Toen hoorde hij voetstappen. Hij horode het klak, klak, klak van sandalen. Iemand rende. Hij draaide zich niet om, keek niet wie het was. 'Vast een knecht die komt aangerend om me weg te jagen, of mijn grote broer die wil weten wat ik hier thuis kom doen.' Hij liep weg.
Maar de stem die hij hoorde, was niet de stem van een knecht, ook niet de stem van zijn broer. Het was de stem van zijn vader.
'Jongen.'
'Vader?'
Hij draaide zich weer om en wilde de poort opendoen, maar zijn vader had dat al gedaan. De zoon keek naar zijn vader die in de ingang stond. Terwijl twee armen zich uitstrekten van oost naar west, om de zoon uit te nodigen thuis te komen, rolden de tranen hem over de wangen.
'Vader, ik heb gezondigd.' De woorden smoorden in de schouders van de vader, zo stevig drukte deze hem tegen zich aan.
De twee huilden. Een eeuwig moment stonden ze daar, ineen verstrengeld. Woorden waren overbodig. Het berouw was getoond, de vergeving was geschonken.
De jongen was thuis.
--------
Als er één tafereel in deze geschiedenis is die het verdient om te worden ingelijst, dan wel het tafereel van de ver met zijn uitgestrekte handen. Zijn tranen zijn ontroerend. Zijn lach is hartverwarmend. Maar het zijn de handen die ons thuis roepen. Stel u die handen eens voor. Krachtige vingers. Handpalmen met diepe levenslijnen. Opengestrekt als een wijde poort. Ze laten maar één mogelijkheid open: naar binnen gaan.
Zou Jezus, toen Hij deze gelijkenis van de liefhebbende vader vertelde, zijn handen hebben gebruikt? Zou Hij, toen Hij bij dit punt in het verhaal aankwam, ook zijn handen hebben uitgestrekt om te illustreren wat Hij wilde zeggen? Ik heb zo'n idee van wel.
Had Hij door wat zijn toehoorders dachten? - 'Ik zou nooit meer thuis kunnen komen. Na zo'n leven? Nee, vast niet.' Zag Hij een huisvrouw naar de grond kijken, een zakenman zijn hoofd schudden, alsof ze wilden zeggen: 'Ik kan geen nieuwe start maken. Ik heb er een te grote puinhoop van gemaakt'? En opende Hij zijn armen nog wijder om als het ware te zeggen: 'Toch wel, dat kan toch wel. Ook jullie mogen thuis komen'?
Of Hij dat wel deed of niet, kan ik niet zeggen. Maar ik weet dat Hij dat later zeker wel heeft gedaan. Toen heeft Hij zijn handen zo wijd mogelijk uitgestrekt. Toen heeft Hij zijn armen zo wijd uitgestrekt dat het pijn deed. En om te bewijzen dat die armen nooit meer over elkaar zouden gaan en dat die handen nooit meer dicht zouden gaan, liet Hij ze in die wijd uitgestrekte stand vastspijkeren.
En zo zijn ze nog steeds.
Minke
Nieuw op de computer:
Dit kun je tegenwoordig zien onder het kopje Muziek en dan bij Films
:: Terug ::
:: Laat een reactie achter ::
|